Recht op Privacy vs recht op Licht en Uitzicht

In een stadse omgeving is het lastig om een goede balans te vinden tussen het recht op privacy en recht op licht en uitzicht (geen hinder). De rechter zal alle omstandigheden meewegen om tot een goede balans van deze twee rechten te komen. Als voorbeeld een zaak bij de kantonrechter te Dordrecht:

"De vraag of er sprake is van (on)rechtmatige hinder hangt af van de aard, de ernst en de duur daarvan, de daardoor veroorzaakte schade in verband met verdere omstandigheden van het geval waaronder de plaatselijke omstandigheden. Een vaste norm voor de toetsing van onrechtmatige hinder door het wegnemen van zonlicht ontbreekt, eveneens als een onbeperkt recht op zonlicht in de tuin.

- Overwogen wordt als volgt. De percelen van partijen bevinden zich in een woonwijk met een schoolgebouw in de nabijheid. De tuin van [gedaagden]. is ruim, maar gelet op de ligging van het perceel en de positie van het woonhuis van [eisers]. ten opzichte van het perceel en het woonhuis van [gedaagden]. dat haaks daarop staat, bestaat er geen mogelijkheid tot het anders plaatsen van de hagen dan de wijze waarop zij nu zijn geplant. Daarnaast heeft er al een hoge rij bomen gestaan (in vergelijkbare lijn zoals nu haag A is geplaatst) bij de school ten tijde van de aankoop van [gedaagden]. van hun perceel zoals op foto's van [eisers]. te zien is. [eisers]. hebben daarom enige schaduwvorming te dulden. De kantonrechter is echter van oordeel dat hier sprake is van méér dan enige schaduwvorming. Dit volgt uit de in opdracht van partijen uitgevoerde onderzoeken. Deze bezonningsonderzoeken zijn opgesteld om inzicht te verkrijgen in de schaduwwerking van de hagen. Partijen hebben over en weer elkaars deskundige en rapport bekritiseerd. De kantonrechter gaat aan deze discussie voorbij en wel om het volgende. De conclusie van Peutz, de rapporteur die door [gedaagden]. is ingeschakeld, luidt dat er in de maand februari sprake is van een afname van de bezonning van 42%, in maart van 32%, in april van 34%, in mei van 22%, in juni van 13%, in juli van 20% in augustus van 34%, in september van 30% en in oktober van 38%, uitgaande van de huidige situatie dat [gedaagden]. haag A hebben laten terugsnoeien tot een hoogte van 7,5 meter en de hagen B en C tot een hoogte van 6 meter. Slechts één maand per jaar ligt het percentage dat er sprake is van minder zonuren onder de 20% (juni) en twee maanden onder de 30% (mei en juli). De overige maanden van het jaar is er dus sprake van meer dan 30% aan afname bezonning, wat fors te noemen is. Dus zelfs als wordt uitgegaan van de conclusies van de deskundige van [gedaagden]. is bij Verhagen c.s. al sprake van een flink verlies aan licht (en warmte) als gevolg van de hoogte van de coniferenhagen. Daarnaast is er nog het visuele aspect. De kantonrechter heeft ter plaatse geconstateerd dat de “onderhavige bomen vrij hoog zijn” en dit wordt door de in het geding gebrachte foto’s ook geïllustreerd. Naast de vrij smalle tuin van [eisers]. groeit in de tuin van [gedaagden]. een cipressenhaag van verhoudingsgewijs grote hoogte die in een bos niet zou misstaan. Dit oogt disproportioneel en hoewel [gedaagden]. het recht hebben om in hun woning zoveel mogelijk privacy te genieten, heeft dit recht in een stadse omgeving zijn grenzen, zeker nu er ook andere manieren zijn om inkijk te voorkomen, zoals vitrages. Het ontvangen van voldoende (zon)licht in de tuin en in de woning van [eisers]. met het daaraan verbonden welbevinden kan enkel gerealiseerd worden door het geregeld terugsnoeien van de hagen door [gedaagden]. en geconcludeerd wordt dat het maar laten doorgroeien van de hagen tot een hoogte van 8 meter, zoals is geschied, als onrechtmatig dient te worden gekwalificeerd.

- Vervolgvraag is wanneer de hinder niet meer onrechtmatig is, met andere woorden wat er met de hagen A, B en C dient te gebeuren. Uit de onder 2.3 en 2.5 opgenomen rapporten volgt dat er geen verschil in bezonning te behalen valt bij het verwijderen van de hagen in vergelijking tot het terugsnoeien tot een hoogte van 3 meter. Dit brengt met zich mee dat de vordering tot het verwijderen van de hagen zal worden afgewezen. Wel zal als het mindere worden toegewezen dat de hagen gesnoeid dienen te worden. Anders dan [gedaagden]. betogen, valt uit figuur 5.1 van hiervoor genoemd rapport van Peutz bovendien wel degelijk op te maken dat er een significant verschil is in terugsnoeien van de hagen nog onder de 6 meter, zoals tijdens de procedure is gebeurd.

figuur 5.1 van dit rapport:

Deze figuur laat zien welk deel van de hagen het directe zonlicht onderbreken en schaduw werpen op de meetpunten. Het schaduw gevende deel is aangegeven met de lichtgroene kleur. Het deel boven de 4 meter hoogte geeft nog een aanzienlijke schaduw in de zin van onrechtmatige hinder. Onder deze hoogte is er nog steeds sprake van schaduw en dus hinder, maar niet meer zodanig dat dit onrechtmatig te noemen is. De kantonrechter zal [gedaagden]. dan ook veroordelen de hagen terug te snoeien tot een hoogte van 4 meter en de hagen op deze hoogte te houden. Door [gedaagden]. is nog aangedragen dat de hagen B en C geplaatst zijn om inkijk vanuit het raam in de zijgevel van het huis van [eisers]. te voorkomen, maar nu door hem op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt wat de minimale hoogte van de hagen zou moeten zijn, kan dit niet meegenomen worden in de afweging van belangen.

- In eerdergenoemd tussenvonnis is overwogen dat [gedaagden]. in de gelegenheid gesteld zullen worden te bewijzen dat [eisers]. toestemming hebben gegeven om haag B binnen twee meter van de erfgrens te plaatsen. Op deze beslissing komt de kantonrechter terug. Zij leest in het door [gedaagden]. gestelde veeleer dat [eisers]. geen bezwaar hadden tegen de plaats van haag B, mits deze op aanvaardbare hoogte zou blijven. De problemen ontstonden nu juist omdat [gedaagden]. de hagen maar liet doorgroeien. Voor zover [eisers]. bij nadere akte nog hebben betoogt dat alle hagen A, B en C binnen een afstand van twee meter van de erfgrens zijn geplaatst, wordt deze stelling verworpen nu reeds hiervoor is overwogen dat daarvoor een gebrek aan belang is.

Alles afwegende komt de kantonrechter tot de slotsom dat de primaire vordering, het verwijderen van de hagen, moet worden afgewezen. De subsidiaire vordering zal in die zin worden toegewezen dat [gedaagden]. veroordeeld worden de hagen A, B en C terug te snoeien en vervolgens te houden op een hoogte van 4 meter.

Helaas is het recht in dit geval niet heel simpel. De rechter weegt niet alleen uw belang, maar ook dat van de buren. U kunt de hele uitspraak lezen door te klikken op het logo van de Rechtspraak. Voor de liefhebber een overzicht van verschillende uitspraken over hoge bomen: Rechtbank Zutphen, Rechtbank Arnhem, Rechtbank Arnhem, Hof Arnhem en Hof Den Bosch.

Heeft u ook een probleem met uw buren? Neemt u dan vrijblijvend contact op met JuristBrabant.nl (JuristBurenrecht.nl).

JuristBrabant.nl

Mariastraat 33

5038 SK Tilburg

KvK: 63959399

Bel of Whatsapp

Nummer: 06-39330891

(direct contact)

Of: 013-3699013 (Privacy)

Aangesloten bij:

JvA, KNB, NJV, VBR &